Rosmalense herinneringen
Raadhuisstraat

Op deze pagina o.a.: nôr de bergt…het oude brandweerhuisje…joantje de kep en de engelse soldaten…wekflessen schieten…vlammenwerper…geroofde worsten van de smid…
Rechterzijde vanaf de Dorpsstraat
Brandweerhuiske
Toen mijn ouders een jaar of acht na de oorlog een nieuw huis gingen bouwen in de Raadhuisstraat, of eigenlijk zei iedereen in die tijd in ’t Ven, net achter het oude gemeentehuis, was die straat amper verhard en nog geen riolering. (Dat gold wat de riolering betrof overigens voor heel Rosmalen).
Het eerste pandje rechts als je vanaf de Dorpsstraat de Raadhuisstraat in ging was het brandweerhuisje dat in de achtertuin van het gemeentehuis stond.

Een klein gebouwtje waarin een brandspuit die je achter een auto of tractor kon hangen. Dat was de hele brandweer-uitrusting. Het geheel werd bediend door de gemeentewerkers. Voorbij dit brandweerhuisje woonden wij.



Onze buurvrouw Door Vos
In 1956 werd door mijn ouders, iets voorbij het brandweerhuisje, op de hoek met de huidige Hoogstraat, een huis gebouwd.
Op die plaats stond voorheen de houten woning van de familie van Ton en Tineke van Son. Zij waren naar de Burg. Nieuwenhuizenstraat verhuisd.
Het stuk land waar ons huis op moest komen was, behalve het stukje waar de keet van Ton van Son opstond, helemaal verwilderd en de opgroeiende kinderen veelvuldig te vinden waren. Overal diepe kuilen en “loopgraven”, vol met planken, stenen, en andere troep, die zij gebruikten om daar “hun”oorlogjes te houden. Toen ons huis klaar was heeft een man van rond de tachtig, ik weet helaas niet meer wie, in een paar weken de hele lap grond gefatsoe-neerde en bewerkte tot land dat geschikt was om groenten op te telen. En dè allinig mi ’n schup en ’n kruiwagentje.
Op het moment dat wij met ons gezin bestaande uit vader moeder en elf kinderen in het nieuwe huis trokken was er wel een waterleiding maar daar kwam door een of andere oorzaak alleen maar roestwater uit. Dat vond ons moeder uiteraard niet zo goed voor haar wasgoed en daarom moest er ongeveer acht maanden lang was- en drinkwater uit de put bij de buren gehaald worden. Wij, dat waren de oudste jongens: onze Toon en onze Piet, ikzelf en mijn tweelingbroer Johan toen tussen de 13 en 16 jaar oud, moesten met lege emmers over onze heg, dan over een zandstrook wat nu de Hoogstraat is, daarna over de heg van onze buren naar hun waterput, emmers vullen en dan dezelfde weg met volle emmers weer terug. Een hele expeditie! En dat bijna ieder dag.
Onze buren waren het gezin van Dorus en Doorke Vos, Dôrus van’t Vòske zinne wij, die acht kinderen hadden en tevens een winkel in manufacturen. Op mooie zomeravonden zat Dorus vaak op een bank voor het huis op zijn trekharmonica te spelen. Wat wij als kinderen ook wel leuk vonden was de oudejaarsavond. Dorus was lid van het gilde en had daarvoor een geweer in huis. Niet zomaar een maar volgens mij een uit de Eerste Wereldoorlog en in onze ogen een draagbaar kanon waar grote kogels gingen. Die kogels maakte hij overigens zelf. Hij vulde hulzen met kruit, sloeg er een loden prop en bracht het slaghoedje aan. Voor oudjaar gebruikte hij wat extra kruit voor extra effect. Tegen twaalven stond Dorus met het geweer op zijn schouder het nieuwe jaar af te wachten. Bij de eerste klokslag haalde hij de trekker over waarna een geweldige explosie volgde Meestal had hij nog wat extra patronen zodat het niet bij een knal bleef.



Ook was Dorus verzot op kaarten. En dan vooral rikken wat hij ook veelvuldig deed, vooral met zijn latere schoonzoons en…. vooral ook luidruchtig want er werd zo fanatiek gekaart dat de halve straat mee kon luisteren. Als ze een kaarter te kort kwamen werd er een beroep op onze familie gedaan om b,v. de vierde rikker te leveren. Gezien onze leeftijd, zó’n jaar of vijftien, deden wij dat niet zo graag want als jongste kaarter aan tafel waar het nie hèndig goewd….! Ge kreegt nogal eens op oew mieter. Maar van d’n andere kant kwamen wij altijd graag bij Dorus en Doorke van’t Vòske, met wiens kinderen wij de buurt onveilig maakte.
Ik herinner mij dat ik samen met mijn buurjongen Pietje van ’t Voske van een oud olieblik een mooie vuurspuwer maakte. We gebruikten hiervoor een leeg olieblik van een liter of drie, boorde er aan de bovenkant twee gaten in en soldeerde in het ene gat ’n ventiel van een fietsband en in het andere een ander gat een kraantje. Daarna deden we halve liter benzine in het blik om vervolgens met een de fietspomp, via het ventiel, de bus flink op druk te pompen. Dan kraantje open, lucifer er bij en een prachtige metershoge steekvlam was ons resultaat. Natuurlijk levensgevaarlijk voor ons maar dat zagen we niet. Misschien nog wel gevaarlijker was het om bij onze vaders kogels te jatten die voor het gilde bestemd waren en die in een gat in een plank te stoppen en dan met een hamer en priem tegen het slaghoedje te slaan. En maar hopen dat de boel ontplofte.


Vervolgens een drie onder één kap met in het eerste Jan en Anna Venrooy-Heijmans. Zij hadden drie kinderen Adrie, Joke, en Roos. Jan werkte bij de NS. Hij bediende o.a. de spoorwegbomen en deed onderhoud aan het Rosmalense spoorweg traject. Ik kwam zelf veel bij Venrooy omdat ik met hun zoon Adrie was bevriend. (helaas is hij in 1981 vlak bij zijn woning aan de Graafseweg verongelukt). In het middelste huis zaten Marinus en Stien Vos met hun drie kinderen. Marinus was in Rusmolle bekend als “bekker van ’t Voske”. Hij was een broer van Dorus Vos. In het derde huis werd bewoond door Has Heijmans en Mie Hak en hun blinde dochter.
Dan stond er een oude boerderij waar Piet Jorissen (van der Donk) een schoemakerij in had. Hij was getrouwd met Marie Rijkers en ze hadden twee zoons. Nadat Piet gestopt was met de schoenmakerij en naar elders verhuisde begon Ties Verhoeven een autogarage in de voormalige boerderij. Even later brak hij de boerderij af en bouwde daar een nieuwe werkplaats. Toen Ties met zijn garage stopte zat er bijna dezelfde dag de Aldi super-markt al in.
Dan kwam het huis op de hoek met de Venstraat. Dit was het ouderlijk huis van Nol Savelkouls bijgenaamd Meties, de latere gruuntenboer van Rusmolle. Zijn zuster Dien trouwde met Jos van de Wielen en is tot de afbraak in de zestiger jaren in dit huis blijven wonen. Dit huis was het laatste wat tot in de vijftiger jaren aan het verharde gedeelte van de Raadhuisstraat stond. Na de kruising met de Venstraat liep er nog een zandpadje richting de Bèrgt.



Onze romboer Sjaan van Grinsven

Raadhuisstraat 1950. Huis van Sjaan en Truus van Grinsven
Na Jos van de Wielen was er een zandpadkruising met de Venstraat en ging de Raadhuisstraat verder als zandwegske richting de Bèrgt.
Na 75 meter stond er aan de rechtse kant een alleenstaand huis. Hier woonde begin dertiger jaren Bert van Nuland en Johanna de Koning. Toen Bert overleed is Johanna daar blijven wonen met o.a. haar dochter Kaatje. Kaatje trouwde met weduwman Jos Kerkhof. In 1933 bouwde de weduwe Van Nuland samen met haar nieuwe schoonzoon Jos in de Venstraat een nieuwe woning. Jos had drie kinderen uit zijn eerder huwelijk en de hele familie, inclusief oma van Nuland, verhuisde in 1934 naar de Venstraat.
Nadat de weduwe Van Nuland was vertrokken kwam Kobus Voets in het huis die er tot begin veertiger jaren woonde. Toen Kobus Voets was verhuisd hebben Appie en Bets Verschuren-Linnenbank daar tot 1948 gewoond. In 1948 huwde melkboer Sjaan van Grinsven met Truus Coppens. Zij kwamen na Verschuren in deze karakteristieke woning. Zij waren tevens de laatste bewoners. Truus overleed in 1993 en Sjaan zou overlijden in 2006. Het huis is in 2007 afgebroken.
Sjaan was een zoon van Lenard en Betje van Grinsven uit de Striensestraat. Hij begon als 12 jarige, recht van de school, in dienst van zijn vader als fietsende melkboertje in Rusmolle. Met achter op de pakkendrager van zijn fiets een tuit melk en aan het stuur een maatje van een halve liter ploegde hij door de zandpèdjes van Rusmolle. De melk kostte in die tijd 9 cent de liter, thuis gebracht en wel. Na vier jaar kreeg hij een bakfiets en werd het assortiment uitgebreid met karnemelk boter en eieren. Rond 1940 kwam de melk in flessen op de markt.. Na de oorlog was er niet of nauwelijks aan een paard te komen. Maar Sjaan moest toch iets en kwam, via iemand uit Berlicum, in het bezit van een bijna blinde muilezel. Deze muilezel had gewerkt in de kolenmijnen van Noord Frankrijk en was door de Duitsers vanuit Frankrijk meegevoerd naar Nederland.
Sjaan spande zijn gehandicapte vervoermiddel voor de melkwagen en leerde ‘m de plattegrond mi alle zandpèdjes van Rusmolle.
Uiteindelijk wies d’n ezel overal blindelings de weg en kos Sjaan d’r aarig mi ut de voeten!
Sjaan met muilezel in1945

In 1948 trouwde Sjaan met Truus Coppens “van ’t Heeseind”. Zij was een dochter van Ad en Kaat Coppens van Nistelrooy. In hun huwelijk werden drie dochters en een zoon geboren. Eind veertiger jaren werd de ezel vervangen door een paard en ventte hij met een melkkar op luchtbanden. Op die melkkar heb ik als kind, en trouwens zowat alle jungskes ut ’t durp, dikwijls opgezeten. Sjaan was erg een geziene man in ’t durp. Hij buurtte gère, dikkels en lang mi z’n klanten waardoor z’nne melkronde nog-al ‘ns uit liep. In 1950 werd zijn bedrijf gemotoriseerd. In plaats van het paard kwam er een oude Dodge brandweerauto die werd omgebouwd voor het uitventen van melk, boter en eieren. De Dodge was nogal prijzig omdat hij veel brandstof verbruikte werd en al snel ingeruild voor een Borgward. De zaken gingen goed en in 1960 verruilde hij de Borgward voor een grotere Opel Blitz, waarmee hij tot 1975 z’n melkrondes dur Rusmolle din. Sjaan genoot het vertrouwen van zijn klanten.
Hij was tevens een soort wandelende nieuwsbrief. Niet verwonderlijk want de mensen werkte de hele week hard en kwamen niet zo veel buitenshuis. Ook was hij zeer klantvriendelijk. Omdat de mensen nog geen koelkasten hadden deed hij van mei tot oktober 2 melkronden per dag en dat ook in het weekeinde. Een deurbel kende hij niet en ging altijd en overal achterom Was er niemand thuis dan keek hij in kelder en vulde aan wat er nodig was. Betalen kwam later wel. Soms pas véél later. Niet iedereen kon snel afrekenen en deden dat als ze salaris of kinderbijslag hadden gebeurd. Sommigen betaalden zelfs pas na jaren, maar het kwam altijd weer goed. Sjaan had er begrip voor en zei wel eens schertsend dat hij een wandelende credietbank was. In 1975 is hij gestopt met de melkrondes door Rusmolle. Door de opkomst van de supermarkten verdwenen de meeste brood en melkventers uit het straatbeeld. Hij heeft nog even geprobeerd om met een rijdende winkel de kost te verdienen. Hiervoor had hij een oude auto van het Rode Kruis bij de smid laten ombouwen tot winkelwagen. Dat heeft hij maar korte tijd gedaan en hield er toen definitief mee op. Maar stilzitten was niks voor hem. Zijn motto ‘mi mensen umgaon’ maakte hij waar door in De Meerwijk bejaarden te gaan helpen. Daarnaast plaatste hij in vele zalen billjarttafels. In 1993 overleed Truus. Sjaan heeft tot zijn dood in 2006 in de Raadhuisstraat gewoond.


Het vervoer dat Sjaan voor zijn melkrondes in Rusmolle door de jaren heen gebruikte:




Voorbij Sjaan van Grinsven hield de bebouwing voor wat betreft de Raadhuisstraat op. Het zandpèdje ging wijer tusse de roggevelden nor de Bèrgt. Aan de linkerkant van het wegske lag het bedoeningske van Mina Boers.
Voorbij Mina Boers en vlak voor de oude Bèrgt nog ’n heel aauw boerderijke waar broer en zus Jaontje en Kobus de Kèp boerde. Jaontje en Kobus namen het niet zo nauw met de properheid en leefde hun eigen leventje. Goei volluk mar ge moest er oe eige nie mee bemoeie! Jaontje liep meestal tot in de verre omgeving de koeien te huuien. Op haar hoofd eeuwig en altijd een mannenpet zonder klep. Toen er bij de bevrijding Engelsen met een vlammenwerper en zwaar geschut over de Bèrgt trokken op zoek naar Duitsers sprong Jaontje in paniek voor de troepen en riep in d’t beste Rusmolles: Heren… heren… , denk toch ’n bietje ôn mèn en ôn m’n koeikes !
In hun boerderijke had Jaontje een goei kamer ingericht. Daarin stond het schildersgerei van enkele dames uit de bekende Bossche schildersfamilie Slager. Zij kwamen schilderen en uitrusten. Jaontje maakte weinig praat over dat kamertje en slechts enkeling mocht daar binnenkijken. Op een keer was er een fotograaf van de Katholieke Illustratie in de buurt en die had stiekem foto’s van haar gemaakt. Jaontje was daar zo kwaad over dat ze de zondag daarop niet naar de kerk was geweest. Of dat Onze Lieveheer daar iets aan kon doen.
Nico Pennings mocht een schilderijtje van de open stookplaats in d’n herd komen maken. Hij zette zijn schilder-ezel op en begon te werken. Joantje en Kobus zaten aan midden in d’n herd on ’t wèrm eten. Ze sopten kleine èrpelkes in de sju en aten die met brood en peren. (de grote aardappelen werden verkocht). Toen ze gegeten hadden gingen ze naar bed. Dat wil zeggen Kobus links in een bedstee en Jaontje aan d’n andere kant in d’r eigen slaapkast. Nico zat er tussenin te schilderen onder begeleiding van het snurkende stel. Het zandweggetje eindigde op de Bèrgt (de Bergen) bij de boerderij van Dorus en Gonda van Helvoirt-van der Heijden. (ongeveer op de huidige kruising van de Raadhuisstraat en de Fort Alexanderstraat.


Linkerzijde vanaf de Dorpsstraat
Wèkflessenschieten
Als je vanaf de Dorpsstraat de Raadhuisstraat inging was links op de hoek, op de plaats van de in 1948 afgebroken oude brouwerij, de winkel van Haske Spierings, bijgenaamd de Flip. Het was een echte dorpswinkel in knopen, garen, band en andere textielartikelen.
Daarnaast had Has een goedlopend taxibedrijf. Daaraan vast zaten twee woningen en in het eerste huis woonde oma Pennings en in het hoekhuis zat de familie van Marinus en Truus van Hassel, die hier vanuit de Dorpsstraat naar toe waren verhuisd.

Dan kwam het grote huis met schone tuin van Martien van den Elzen (foto uit 1948) die een hoge functie bekleedde bij Jan Heymans de wegenbouwer.
Zijn grote tuin was zeer aantrekkelijk en nogal eens het doelwit van de kinderen uit de buurt om kattekwaad uit te halen. In de winter zette hij wekflessen ondersteboven over plantjes die niet mochten bevriezen. Wij konden de verleiding niet weerstaan en schoten, als ons vader niet thuis was, vanuit een bovenraam van ons huis de flessen met een windbuks kapot.


Worst roken in de smidsoven
Het volgende huis was het in 1932 gebouwde woonhuis met smederij van Thé van de Voort. Voordien was deze smederij gevestigd in het hier tegenover gelegen huis waar Dorus Vos in woonde. In dat huis woonde in de twintiger jaren de familie Harry van Uden. Harry had daar een timmerwerkplaats en waar hij o.a. doodskisten maakt en de doden er zelf in opbaarde.
Thé van der Voort uit Udenhout was in die tijd knecht bij smid Jan Schel in de Dorpsstraat en werd verliefd op Grada van Uden, een zuster van Harry uit Den Dungen. Nadat zij getrouwd waren kwamen zij bij Harry in huis wonen. Toen Harry met zijn timmerzaak stopte werd de werkplaats omgebouwd tot smederij waarin Thé van der Voort voor zichzelf begon. De smederij draaide goed en in 1932 verhuisde Thé en Grada naar het hierboven genoemde en door hun zelf gebouwde nieuwe huis met smidse aan de overkant van de straat.
Opzij van deze smederij stond een grote oven om daarin ijzeren banden (repen) voor karwielen te verhitten alvorens ze om het wiel te leggen. Deze oven werd op gezette tijden ook gebruikt om de hammen en worsten in te “roken”. Bij de bevrijding toen het hele gezin van de smid moest worden geëvacueerd bleef vader Thé alleen bij de smederij achter. Hij vond dat een mooi moment om eens wat worst te gaan “roken”. Toen hij na een paar dagen ging kijken hoe het met de worsten was bleek dat de oven was leeggeroofd. De dader werd nooit gevonden.


Daarnaast woonde mijn ome Jan en tante Mina. Jan was een broer van mijn vader. Mina heette met haar meisjesnaam van der Heijden kwam uit Heesch. In hun gezin waren 14 kinderen. In de vijftiger jaren bouwde hij in de Venstraat (links om de hoek) een nieuw huis. Mijn ome Jan pakte alles aan. Hij metselde mee aan nieuwe huizen en werkte bij Piet van Lier als slager. Daarnaast kluste hij alles wat er maar te klussen viel. Toen ome Jan verhuisde ging het huis naar zijn zuster Martijn die met Knilles van den Dungen was getrouwd. Knilles werkte bij waterschap “De Maaskant”als polderkantonier. Mijn grootouders van vaders kant hebben nog enige jaren bij Knilles en Martijn ingewoond en zijnbei daar overleden. Nu woont daar mijn neef Fried van den Dungen met zijn vrouw Betsie van den Burgt.


Naast Jan van Hirtum stond het huis van Haske van Balkum en Drika Verhallen dat gebouwd was in 1931. Hun zoon Toontje was een van de oprichters van het revuegezelschap Levensvreugd. Hij schreef hiervoor vele sketches en liedjes waaronder hét Rusmollese volkslied. Ook hun andere zonen Broer en Rien waren lid van Levensvreugd. Schoonzoon Jo van Hoof, die met dochter Mien was getrouwd en bij Haske en Drika inwoonden, was regisseur van het gezelschap.

En dan, als laatste woning aan die zijde van de Raadhuisstraat, stond een zeer klein huisje, eigenlijk niet veel meer dan een hut, van amper 15 vierkante meter. Beneden twee kamers met een gangetje ertussen had en boven een vliering. Vanaf de oorlog hebben hier achtereenvolgens gewoond (maar vraag niet hoe): Bert Verhagen/Nelleke van Rosmalen, Thé/Miet van den Hanenberg van Dijk, Jos Savelkouls/Gon den Otter en Januske van der Donk/Mien van Breugel.
